Salesforce Marketing Cloud in 2025: AI-belofte en praktijk voor multinationals

Wat 2025 multinationals leerde over Salesforce Account Engagement: van AI-belofte naar operationele realiteit

Waarom 2025 geen doorbraakjaar was, maar een scheidingsjaar

Voor veel multinationals stond 2025 vooraf te boek als het jaar waarin AI binnen marketing automation definitief volwassen zou worden. Niet langer als experiment of proof of concept, maar als structureel onderdeel van commerciële besluitvorming. Salesforce Marketing Cloud Account Engagement werd daarbij gezien als logisch zwaartepunt, omdat marketing- en salesprocessen er rond dezelfde klant- en accountcontext kunnen samenkomen. De verwachting was dat AI die bestaande samenwerking zou versnellen door signalen sneller te interpreteren, prioriteiten scherper te stellen en opvolging consistenter te maken.

De praktijk ontwikkelde zich echter minder eenduidig. 2025 bracht geen universele versnelling, maar maakte vooral zichtbaar welke organisaties hun fundament al voldoende op orde hadden en welke organisaties nog sterk leunden op impliciete afspraken, lokale interpretaties en historisch gegroeide datamodellen. In volwassen omgevingen verdiepte AI bestaande processen en werd besluitvorming consistenter. In andere omgevingen legde dezelfde technologie juist bloot waar eigenaarschap, datakwaliteit en beslisstructuren onvoldoende expliciet waren georganiseerd.

AI versnelt alleen wat al expliciet bestuurbaar is ingericht.

Die scheiding werkte niet alleen door in technische output, maar vooral in vertrouwen. Organisaties met duidelijke definities en governance konden AI gebruiken als verlengstuk van hun operating model, omdat teams wisten welke betekenis aan signalen moest worden toegekend en wie verantwoordelijkheid droeg voor de vervolgstap. Organisaties zonder dat fundament ervaarden dezelfde technologie veel sneller als onvoorspelbaar of moeilijk uitlegbaar. Daarmee werd 2025 minder een adoptiejaar dan een volwassenheidstest voor de manier waarop marketing automation organisatorisch was ingebed.

AI functioneerde technisch, maar organisatorisch niet verankerd

Technisch gezien leverden AI-componenten binnen Salesforce Marketing Cloud Account Engagement in veel omgevingen bruikbare output. Predictive scoring, engagement-indicatoren en geautomatiseerde prioritering konden patronen zichtbaar maken en consistent dezelfde logica toepassen op vergelijkbare input. De beperkende factor zat daardoor niet uitsluitend in de technologie zelf. Het grotere probleem ontstond zodra organisaties die output moesten vertalen naar operationele keuzes die verschillende teams, markten en verantwoordelijkheden raakten.

Veel organisaties gingen impliciet uit van een directe vertaling van score naar actie. Een hogere score leek automatisch te betekenen dat marketing moest versnellen, sales eerder moest overnemen of een prospect naar een volgende stap in een journey kon worden gestuurd. Maar zolang niet expliciet was vastgelegd wie zo’n beslissing neemt, welke uitzonderingen gelden en wanneer menselijke beoordeling noodzakelijk blijft, verschoof de discussie van technologie naar mandaat. AI leverde dan wel een signaal, maar geen gedeeld besluitkader waarbinnen dat signaal zonder nieuwe afstemming kon worden toegepast.

In internationale organisaties werd dat verschil extra zichtbaar. Definities van leadkwaliteit, prioriteit, sales readiness en overdracht bleken per regio of business unit uiteen te lopen, terwijl centrale AI-output juist veronderstelde dat dezelfde signalen overal dezelfde betekenis hadden. Daardoor ontstond vertraging op het moment waarop versnelling werd verwacht. Teams moesten alsnog interpreteren, uitzonderingen bespreken en lokale afspraken reconstrueren voordat de output operationeel bruikbaar werd.

Waar besluitvorming wél expliciet was ingericht, ontstond een duidelijk ander patroon. AI fungeerde daar als gedeelde referentie en niet als zelfstandige autoriteit die bestaande verantwoordelijkheden verving. Discussies verschoof van “wat betekent deze score?” naar “welke actie levert binnen ons afgesproken kader de meeste waarde op?”. Dat verschil zat niet in een extra feature, maar in organisatorische verankering: dezelfde technologie kreeg pas betekenis doordat besluitrechten, definities en escalatie vooraf waren vastgelegd.

Datamodellen bepaalden in de praktijk de grenzen van AI

Binnen veel multinationals bleken datamodellen historisch gegroeid en vooral ontworpen voor campagne-uitvoering, rapportage en lokale procesbehoeften. Contactstructuren verschilden per regio, leadstatussen werden lokaal geïnterpreteerd en accountrelaties waren niet altijd op dezelfde manier vastgelegd. Zolang die data voornamelijk werd gebruikt voor segmentatie of activatie, konden zulke verschillen vaak operationeel worden opgevangen. Zodra AI dezelfde data ging gebruiken voor prioritering en routing, werden de gevolgen van inconsistente definities veel directer zichtbaar.

AI kan patronen herkennen, maar vormt geen automatisch correctiemechanisme voor een onduidelijk datamodel. Wanneer twee markten hetzelfde veld anders interpreteren, kan een model die inconsistentie verwerken zonder te begrijpen dat er organisatorisch twee verschillende werkelijkheden achter schuilgaan. Het resultaat kan technisch plausibel zijn en toch moeilijk reproduceerbaar of bestuurlijk onwenselijk. Juist daarom werd in 2025 duidelijk dat een datamodel dat voldoende is voor campagnes niet automatisch geschikt is voor besluitvorming die snelheid, consistentie en verantwoording vereist.

Voor de beoordeling van datamodellen ontstond daarmee een bruikbaar onderscheid. Niet iedere omgeving hoeft volledige uniformiteit na te streven, maar zodra data rechtstreeks wordt gebruikt om geautomatiseerde keuzes te beïnvloeden, moeten definities voldoende stabiel zijn om uitkomsten te kunnen verklaren. Dat vraagt niet om één identiek model voor iedere markt, wel om duidelijke grenzen tussen lokale variatie en data die enterprise-breed dezelfde betekenis moet houden. In de praktijk zijn vooral de volgende verschillen bepalend geworden:

  • Campagnedata: kan lokale variatie toestaan zolang segmentatie, activatie en rapportage binnen de betreffende context eenduidig blijven.
  • Beslisdata: vereist expliciete definities, consistente interpretatie en voldoende reproduceerbaarheid om uitkomsten te kunnen verantwoorden.
  • Prioriteringsdata: krijgt meer organisatorische impact zodra AI ermee bepaalt welke prospects, accounts of acties voorrang krijgen.
  • Routingdata: moet grensoverschrijdend voldoende eenduidig zijn wanneer dezelfde logica leads of accounts naar verschillende teams en markten stuurt.

Dit onderscheid maakte zichtbaar dat AI niet noodzakelijk nieuwe complexiteit introduceert, maar bestaande complexiteit operationaliseert. Wat eerder in handmatige interpretatie kon worden opgevangen, wordt onderdeel van een geautomatiseerde keten waarin iedere definitie gevolgen heeft voor de volgende stap. Daardoor verandert datakwaliteit van een voornamelijk technisch vraagstuk in een bestuurlijke voorwaarde. Een organisatie moet niet alleen weten of een veld is gevuld, maar ook of de betekenis ervan stabiel genoeg is om er beslissingen op te baseren.

Governance verschoof van compliance naar besluitstructuur

Tot en met 2024 werd governance binnen marketing automation vaak vooral benaderd vanuit juridische randvoorwaarden, consent en toegangsbeheer. In 2025 werd duidelijk dat dit perspectief te beperkt is zodra AI direct invloed krijgt op timing, overdracht en prioritering. Governance gaat dan niet alleen over wat een organisatie juridisch mag doen, maar ook over wie een beslissing mag nemen, welk systeem of team leidend is en hoe uitzonderingen worden gecontroleerd wanneer geautomatiseerde logica afwijkt van de verwachting.

De centrale vraag verschoof daarmee van toestemming naar verantwoordelijkheid. Zonder expliciete afspraken over eigenaarschap en mandaat ontstaat terughoudendheid, omdat marketing, sales, IT en compliance ieder vanuit een andere risicoperceptie naar dezelfde AI-uitkomst kijken. Marketing ziet kans op versnelling, sales ziet mogelijk een onvoldoende gekwalificeerd signaal en compliance kijkt naar de voorwaarden waaronder een bepaalde actie mag plaatsvinden. Wanneer die perspectieven pas na de output bij elkaar worden gebracht, wordt AI een nieuwe bron van afstemming in plaats van een versneller.

Deze verschuiving heeft directe gevolgen voor de operatie. Organisaties moeten vooraf bepalen wie AI-signalen mag overrulen, wanneer een score voldoende is om een vervolgstap te activeren en welke beslissingen altijd menselijke controle vereisen. Ook moet duidelijk zijn wie verantwoordelijk is wanneer een automatisch besluit technisch correct is uitgevoerd maar commercieel of organisatorisch verkeerd uitpakt. Governance wordt daarmee geen rem op innovatie, maar een voorwaarde om automatisering zonder voortdurende ad-hoccontroles schaalbaar in te zetten.

Organisaties die governance in hun architectuur en operating model integreerden, konden sneller handelen omdat de belangrijkste beslisvragen niet telkens opnieuw hoefden te worden uitgevochten. Teams werkten binnen vooraf bekende grenzen en wisten wanneer escalatie noodzakelijk was. Organisaties die governance vooral als controle achteraf bleven behandelen, zagen juist extra vertraging ontstaan. De technologie kon sneller handelen dan de organisatie besluiten kon verantwoorden, waardoor menselijke controles alsnog buiten het ontworpen proces werden toegevoegd.

AI maakte bestaande spanningen tussen marketing en sales zichtbaar

De belofte van Salesforce Marketing Cloud Account Engagement ligt voor een belangrijk deel in alignment tussen marketing en sales. In 2025 werd duidelijk dat AI die alignment niet zelfstandig creëert. Wanneer definities van leadkwaliteit, timing, koopintentie en overdracht vooraf onvoldoende zijn afgestemd, versterken AI-scores juist de bestaande verschillen in interpretatie. Marketing kan een hoge score lezen als duidelijke koopintentie, terwijl sales dezelfde score beschouwt als onvoldoende kwalificatie om capaciteit aan te besteden.

Zonder gedeelde definities ontstaat dan geen versnelling, maar discussie over de betekenis van dezelfde output. Het probleem lijkt op het eerste gezicht technisch, omdat teams naar een score, model of platform kijken, maar de oorzaak ligt in een organisatorische afspraak die nooit eenduidig is gemaakt. AI maakt die onduidelijkheid alleen consequenter zichtbaar. Iedere nieuwe score confronteert teams opnieuw met dezelfde ontbrekende definitie, waardoor het platform een vergrootglas wordt op eerder verborgen spanningen.

In organisaties waar definities wél expliciet waren afgestemd, fungeerde AI veel effectiever als gedeeld referentiekader. Marketing en sales hoefden niet iedere uitkomst opnieuw te interpreteren, omdat vooraf was afgesproken wat een signaal betekent en welke vervolgstap daarbij hoort. Daardoor kon samenwerking versnellen zonder dat één team de controle volledig hoefde over te nemen. Het verschil zat dus niet primair in tooling, maar in alignment vóórdat AI operationeel gewicht kreeg binnen het proces.

De rol van AI is een expliciete bestuurlijke keuze

De ervaringen uit 2025 laten zien dat organisaties niet kunnen volstaan met impliciete aannames over de rol van AI. Zij moeten expliciet bepalen of AI alleen signaleert, binnen vooraf gedefinieerde grenzen zelfstandig mag handelen of uitsluitend informatieve output levert die door mensen wordt geïnterpreteerd. Die positionering bepaalt hoeveel snelheid mogelijk is, hoeveel controle noodzakelijk blijft en bij wie verantwoordelijkheid ligt wanneer een automatisch proces een onverwachte uitkomst produceert.

Het onderscheid is relevant omdat dezelfde AI-functionaliteit in verschillende organisaties een totaal andere bestuurlijke betekenis kan krijgen. Een engagementscore die alleen zichtbaar is in een dashboard vraagt om andere governance dan een score die automatisch leadrouting, journey-entry of salesprioriteit beïnvloedt. Naarmate AI dichter bij de daadwerkelijke actie komt, moet ook de beslissingsbevoegdheid explicieter worden vastgelegd. Daarmee ontstaat een werkbaar kader voor automatisering zonder dat eigenaarschap diffuus wordt.

 

Beslisrol van AI binnen Salesforce Marketing Cloud Account Engagement

Rol van AIBeslissingsbevoegdheidOrganisatorische implicatie
SignalerendMens beslist altijdVereist interpretatiekaders, eigenaarschap en training
Beslissend binnen kadersAI handelt binnen vooraf vastgelegde grenzenVereist governance, monitoring en een expliciet escalatiemodel
InformatiefGeen directe geautomatiseerde actieBeperkter operationeel risico, maar nog steeds consistente definities nodig

Deze keuze bepaalt hoe snelheid, controle en verantwoordelijkheid binnen de organisatie worden ingericht. Zonder expliciete positionering ontstaat gemakkelijk een hybride model waarin AI feitelijk invloed uitoefent op klantbehandeling, terwijl formeel niemand eigenaar is van die beslissing. Enterprise-organisaties moeten daarom niet alleen documenteren welke AI-functionaliteit actief is, maar ook welk mandaat aan die functionaliteit is gekoppeld en hoe de uitkomst wordt gecontroleerd wanneer risico of commerciële impact toeneemt.

Journey-logica fungeerde als stresstest voor besluitvorming

Geautomatiseerde journeys maken impliciete keuzes expliciet. Iedere stap veronderstelt dat duidelijk is wanneer een prospect doorgaat, wanneer overdracht plaatsvindt, wanneer een traject stopt en welke alternatieve route wordt gekozen wanneer omstandigheden veranderen. In theorie is dat een kracht van marketing automation, omdat dezelfde logica consequent kan worden toegepast. In de praktijk bleek in 2025 dat journeys juist een stresstest worden voor organisaties waarin definities en besluitrechten onvoldoende stabiel zijn.

Wanneer die keuzes niet vooraf zijn vastgelegd, blijven journeys afhankelijk van handmatige correcties. Teams grijpen achteraf in wanneer een prospect volgens de configuratie wel doorstroomt maar volgens de lokale commerciële realiteit niet verder zou moeten gaan. Daarmee ontstaat een merkwaardige situatie: automatisering is technisch aanwezig, maar de betrouwbaarheid ervan hangt af van mensen die voortdurend uitzonderingen herkennen en herstellen. Dat ondermijnt zowel schaalbaarheid als het vertrouwen in verdere AI-inzet.

De internationale context vergroot dat probleem. Zodra definities per regio, business unit of team verschillen, kan dezelfde journey technisch correct functioneren en toch inhoudelijk inconsistent gedrag veroorzaken. Prospects bewegen dan door vergelijkbare stappen op basis van regels die niet overal dezelfde betekenis hebben. De configuratie is reproduceerbaar, maar de businesslogica erachter niet. Juist dat verschil maakt duidelijk waarom journey-ontwerp niet alleen een uitvoeringsvraagstuk is, maar ook een directe vertaling van organisatorische keuzes.

In organisaties waar journey-logica wél expliciet was ontworpen, fungeerden journeys als verlengstuk van besluitvorming en niet als vervanging ervan. AI kon binnen die structuur optimaliseren omdat instroom, overdracht, prioriteit en uitzonderingen op gedeelde definities rustten. Daardoor werd automatisering voorspelbaarder en hoefden teams minder achteraf te corrigeren. De waarde zat niet in meer journey-complexiteit, maar in een duidelijker kader waarbinnen automatisering betrouwbaar kon handelen.

Integraties bepaalden of AI daadwerkelijk leerde

De effectiviteit van AI binnen Salesforce Marketing Cloud Account Engagement bleek sterk afhankelijk van feedbackloops vanuit CRM en salesprocessen. In veel omgevingen was de heenweg technisch goed ingericht: marketingdata voedde scores, segmenten en prioritering. De terugweg was veel minder consistent. Wanneer afwijzingen, salesopvolging, opportunity-ontwikkeling en commerciële uitkomsten niet structureel terugvloeien naar de omgeving waarin AI wordt gebruikt, blijft het model werken met een onvolledig beeld van wat na de voorspelling daadwerkelijk gebeurde.

AI functioneert optimaal binnen een ecosysteem waarin voorspelling, actie en resultaat met elkaar zijn verbonden. Zonder die cyclus ontstaat een analytische laag die patronen kan herkennen, maar onvoldoende leert van de zakelijke uitkomst van eerdere beslissingen. Dat verschil werd in 2025 vooral zichtbaar in organisaties waar feedbackloops slechts gedeeltelijk waren ingericht. Modellen genereerden bruikbare signalen, terwijl de kwaliteit van de terugkoppeling per team of regio sterk verschilde.

Daardoor konden modellen blijven optimaliseren op technische patronen in plaats van op volledig vastgelegde commerciële resultaten. Afwijzingen werden niet altijd consequent geregistreerd, opvolging vond deels buiten systemen plaats en lokale verschillen bleven impliciet. Het gevolg was een schijn van consistentie: dezelfde modellogica draaide overal, maar de informatie waarop verbetering moest worden gebaseerd was niet overal even compleet. Voor multinationals maakt dat resultaten moeilijk vergelijkbaar en verklaart het waarom een model in de ene markt overtuigender lijkt te werken dan in een andere.

Zonder gesloten feedbackloop is AI geen leersysteem, maar een rekenmodel.

De les uit 2025 is daarom dat integratie niet alleen draait om het beschikbaar maken van data voor marketing. De volledige cyclus tussen voorspelling, actie, salesrespons en resultaat moet voldoende gesloten zijn om van eerdere uitkomsten te kunnen leren. Pas dan kan AI structureel beter worden in plaats van alleen sneller dezelfde aannames toe te passen. Integratie wordt daarmee onderdeel van de besluitarchitectuur en niet slechts een technische koppeling tussen afzonderlijke systemen.

2025 als volwassenheidsfilter

Terugkijkend kan 2025 worden gezien als een volwassenheidsfilter. Niet tussen organisaties met veel of weinig technologie, maar tussen organisaties met expliciete besluitstructuren en organisaties die vooral reactief waren ingericht. AI versnelde vooral wat al voldoende was georganiseerd en maakte bestaande complexiteit zichtbaarder waar definities, governance of integraties onvoldoende volwassen waren. Het verschil ontstond daardoor niet bij aanschaf of activatie van technologie, maar bij de manier waarop de organisatie die technologie in haar dagelijkse besluitvorming kon opnemen.

Voor organisaties met duidelijke definities, betrouwbare feedbackloops en expliciete governance ontstond meer ruimte voor schaal. Teams konden vaker vertrouwen op dezelfde signalen en hoefden minder tijd te besteden aan het reconstrueren van betekenis of eigenaarschap. Voor organisaties zonder dat fundament leidde dezelfde ontwikkeling juist tot meer onzekerheid. Handmatige interpretatie die eerder veel inconsistenties kon maskeren, werd minder houdbaar zodra AI die verschillen systematisch zichtbaar maakte.

Die ontwikkeling werkte op meerdere niveaus tegelijk en verklaart waarom de impact van AI niet uitsluitend met modelperformance of campagne-KPI’s kan worden beoordeeld. De organisatorische gevolgen zijn minstens zo belangrijk, omdat zij bepalen of de omgeving op langere termijn sneller en voorspelbaarder wordt. Een model kan technisch beter presteren terwijl de dagelijkse operatie juist meer afstemming nodig heeft of teams minder vertrouwen krijgen in geautomatiseerde uitkomsten. Daarom moet volwassenheid op meerdere niveaus tegelijk worden beoordeeld:

  • Operationeel: teams worden afhankelijker van afstemming wanneer definities, uitzonderingen en verantwoordelijkheden onvoldoende expliciet zijn vastgelegd.
  • Tactisch: prioritering en overdracht vertragen wanneer marketing, sales en lokale markten dezelfde signalen verschillend interpreteren.
  • Strategisch: vertrouwen in automatisering neemt af wanneer management en teams niet kunnen reconstrueren waarom bepaalde uitkomsten of klantbehandelingen tot stand kwamen.

Daarmee maakte 2025 niet alleen zichtbaar wat werkte, maar vooral welke structurele voorwaarden ontbraken. Dat maakt het jaar niet tot een gemiste AI-kans, maar tot een nuttige grens tussen experimenteren en volwassen toepassen. Organisaties kregen scherper inzicht in de onderdelen die eerst moeten worden gestabiliseerd voordat verdere automatisering werkelijk schaalvoordeel oplevert. Juist die diagnose vormt de basis voor de keuzes die richting 2026 noodzakelijk worden.

Wat dit betekent richting 2026

De belangrijkste verschuiving richting 2026 ligt daarom niet in het toevoegen van steeds nieuwe AI-functionaliteit, maar in de manier waarop organisaties besluitvorming organiseren. De technologie is beschikbaar en kan waarde leveren, maar alleen wanneer duidelijk is onder welke voorwaarden die waarde betrouwbaar kan worden benut. Voor multinationals betekent dit dat datadefinities, governance, feedbackloops en beslisrechten niet langer afzonderlijke optimalisatiethema’s zijn. Zij vormen samen het organisatorische kader waarbinnen AI daadwerkelijk schaalbaar kan functioneren.

De focus verschuift daarmee van uitbreiding naar structurering. Organisaties moeten bestaande aannames expliciet maken voordat nieuwe automatisering meer verantwoordelijkheid krijgt. Welke data is leidend wanneer bronnen elkaar tegenspreken? Welke beslissingen mag AI zelfstandig beïnvloeden en waar blijft menselijke beoordeling noodzakelijk? Welke commerciële uitkomsten moeten worden teruggekoppeld om modellen en prioriteringslogica te verbeteren? En welke governance moet al in de architectuur aanwezig zijn voordat een nieuwe use-case wordt geactiveerd?

Dat betekent niet dat enterprise-organisaties hun AI-ambitie moeten afremmen. Het betekent dat verdere automatisering gekoppeld moet worden aan een aantoonbaar volwassen besluitmodel. Naarmate de impact van een geautomatiseerde keuze groter wordt, moeten eigenaarschap, uitlegbaarheid en escalatie evenredig duidelijker zijn ingericht. Zo voorkomt een organisatie dat snelheid wordt gekocht met nieuwe afhankelijkheid van handmatige controles of dat lokale uitzonderingen het centrale model langzaam uithollen.

Organisaties die deze stap zetten, creëren een omgeving waarin AI niet als zelfstandige versneller wordt gezien, maar als onderdeel van een bredere commerciële en organisatorische architectuur. Dat levert meer voorspelbaarheid op omdat teams vooraf weten welke betekenis aan signalen wordt toegekend en wie verantwoordelijk is voor de uitkomst. Het maakt bovendien verdere groei beheersbaarder: nieuwe markten, journeys en automatiseringen kunnen worden toegevoegd zonder dat bij iedere uitbreiding opnieuw fundamentele afspraken over data en besluitvorming moeten worden uitgevonden.

2025 als noodzakelijk ijkpunt voor enterprise-marketing

Wat 2025 multinationals vooral heeft geleerd, is dat AI binnen Salesforce Marketing Cloud Account Engagement geen shortcut vormt naar betere marketing. De technologie werkt als een vergrootglas op bestaande structuren, definities en verantwoordelijkheden. Waar het fundament duidelijk is, kan AI patronen sneller benutten en besluitvorming consistenter ondersteunen. Waar dat fundament ontbreekt, worden dezelfde onduidelijkheden juist vaker en systematischer zichtbaar omdat automatisering minder ruimte laat voor stille menselijke correcties.

De belangrijkste verschuiving is daarom bestuurlijk en niet uitsluitend technologisch. Organisaties die deze les serieus nemen, behandelen AI niet langer als losse optimalisatielaag, maar als onderdeel van hun operating model. Zij leggen vast welke beslissingen geautomatiseerd mogen worden, hoe data wordt geïnterpreteerd, welke feedback noodzakelijk is en waar menselijke controle leidend blijft. Daardoor ontstaat een omgeving waarin snelheid niet ten koste hoeft te gaan van uitlegbaarheid en waarin governance niet pas wordt toegevoegd wanneer een afwijkende uitkomst al heeft plaatsgevonden.

Voor organisaties die deze stap niet zetten, blijft AI een bron van discussie en onzekerheid. Niet omdat het platform per definitie tekortschiet, maar omdat de context waarin de technologie wordt toegepast onvoldoende reproduceerbaar is ingericht. Iedere nieuwe score, journey of prioriteringsregel kan dan opnieuw discussie oproepen over betekenis, verantwoordelijkheid en uitzonderingen. Dat maakt verdere automatisering technisch mogelijk, maar organisatorisch steeds moeilijker te vertrouwen en uiteindelijk ook moeilijker op te schalen over meerdere teams en markten.

Daarmee heeft 2025 een bruikbaar ijkpunt gecreëerd voor de volgende fase van enterprise-marketing. De relevante scheidslijn loopt niet tussen organisaties die AI gebruiken en organisaties die dat niet doen, maar tussen organisaties die AI binnen duidelijke kaders kunnen sturen en organisaties die vooral reageren op de uitkomsten ervan. Wie richting 2026 investeert in expliciete besluitstructuren, consistente definities en gesloten feedbackloops, legt daarmee niet alleen een beter fundament voor AI, maar ook voor een Marketing Cloud-omgeving die schaalbaar, uitlegbaar en bestuurbaar blijft.

Gerelateerde onderwerpen binnen Salesforce Marketing Cloud:

Scroll naar boven
Call Now Button